Bron: CULTUREEL SUPPLEMENT NRC HANDELSBLAD 12-2-88

HET LICHT

De visies van auteurs als Capra en Zukav, die menen dat moderne natuurkundige verworvenheden al eeuwenlang bekend waren in de oosterse wijsheid zijn volgens de schrijver Harry Mulisch zeer onwaarschijnlijk. In een tekst, die Mulisch uitsprak ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Marcel van Dam, stelt hij dat het licht zowel bij het ontstaan van religie als van wetenschap een belangrijke rol heeft gespeeld.

door Harry Mulisch
Voor Marcel Parcival Arthur van Dam

OOSTERSE WIJSHEID

Het natuurwetenschappelijke wereldbeeld van de meeste mensen is nog steeds dat van Newton, waarin alles met burgerlijke netheid zijn plaats heeft, het een overzichtelijk het gevolg is van het ander, en dat ook verder niet raar of idioot is, maar voldoet aan de betrouwbare condities van het alledaagse gezonde verstand. Toch is dat wereldbeeld al sinds 1905 aan het verkruimelen. In dat jaar publiceerde Einstein zijn speciale relativiteitstheorie, in 1916 veralgemeende hij haar, in de jaren twintig verscheen de quantumtheorie, en dat verkruimelingsproces duurt tot de huidige dag voort. Omdat in de moderne natuurkunde, alles steeds raarder, idioter en onbetrouwbaarder werd, heeft het gezonde verstand zich daar van meet af aan uit zelfbehoud van afgewend, - en dat was ook mogelijk, aangezien het alledaagse leven op de vertrouwde, newtoniaanse voet verder ging. Behoudens een paar onaangenaamheden nu en dan: de bommen op Hirosjima en Nagasaki, de explosie in de kernreactor van Tsjernobyl, de bedreiging door radioactief afval, de schemering van een nucleaire apocalyps. Omdat de meeste mensen dus ruim tachtig jaar achterlopen met hun gezonde verstand, bezitten deze dreigingen en catastrofes voor hen een bovennatuurlijk surplus, wat er toe leidt dat ook hun angsten primitiever zijn dan nodig is, en daardoor onhandelbaarder. Deze situatie leidde in 1975 tot een opmerkelijk fenomeen.

In dat jaar verscheen Fritjof Capra's The Tao of Physics, vier jaar later Gary Zukavs The Dancing Wu Li Masters, gevolgd door een reeks andere boeken, die de moderne natuurkunde in verband brengen met de oosterse wijsheid.

Dit leidde bij een groot publiek tot een inhaalmanoeuvre. Het positieve van deze publikaties is, dat velen langs deze weg voor het eerst kennismaken met de verbazingwekkende verworvenheden van de natuurkunde sinds 1905. Deze worden doorgaans bekwaam uiteengezet, waarna steeds een vergelijking volgt met oeroude uitspraken van het hindoeïsme, het boeddhisme, het taoïsme en andere heel- of halfmystieke stromingen in de Aziatische wereld. Die blijken er dan op te lijken. Dit is op zichzelf geen ontdekking van Capra, want het werd in de jaren twintig en dertig al opgemerkt door Erwin Schrödinger, Werner Heisenberg en Niels Bohr zelf, die zijn eigen heraldisch wapen ontwierp rondom het yin-yang symbool. Maar bij Capra wordt het een min of meer systematische methode, die vaak zeer zwakke vormen aanneemt.

Voor sommige Nederlandse beoordelaars was dit aanleiding te vervallen in het kille soort hoon, dat bij ons klimaat pas. Er werd soms over gesproken als over het allervreselijkste, bij het fascistische af. Maar onderzoekt men wat dat vreselijke dan wel is, dan blijkt het in laatste instantie de aantasting van de positivistisch-reductionistische positie, - de intellectuele variant van het gezonde verstand, - die inderdaad in gevaar verkeert. Wat door schrijvers als Capra met enig recht wordt vergeleken, zijn bepaalde formele denkgestes in de natuurkunde en de oosterse mystiek. Om de positivistische positie te verdedigen, wordt deze strategie vervolgens bestreden door een aanval op het materiële aspect van de vergelijking, die ook naar mijn mening grond mist. Natuurlijk komen verreweg de meeste lezers van dit soort boeken juist op de inhoudelijkheid van dat oosterse af, want die vormt tegelijk een religieuze toevlucht, een balsem voor de angsten. Ook dat kan men honen; maar dat die hogere lafenis blijkbaar gezocht moet worden, is precies de schuld van diezelfde verstokte positivisten: zowel van die die in de krant schrijven als van die die in de troostzoeker zelf zitten, en die allemaal tachtig jaar over tijd zijn.

Als de Capra's beweren, dat allerlei essentialia van de moderne natuurkunde al in de oude oosterse wijsheid zijn vervat, dan dringt zich de vraag op, waarom die oosterlingen de moderne natuurkunde dan niet hebben uitgevonden. Dat is dan toch wel erg dom, met zo'n voorsprong. Een aantal jaren geleden moesten de Pakistani zelfs in Nederland komen spioneren om de geheimen van de atoombom aan de weet te komen. Hoe is dat verklaarbaar, als het al in hun eigen heilige teksten verborgen lag - althans in die van hun niet-islamitische minderheden? Lag het er misschien toch niet in verborgen?

Ik heb niets tegen Aziatische religies - misschien omdat ik als jongen al zo veel mogelijk boeken over de moderne natuurkunde las, tegelijk trouwens met de Upanishads. Ook ik heb in Kyoto urenlang in de Zentuin van Ryoan-ji gezeten, al weet ik niet of ik dat 'mediteren' mag noemen; ook ik heb in India Sarnath bezocht, waar de Boeddha het Wiel der Wet in beweging zette; ook ik heb in Benares bij zonsopgang in een bootje op de Ganges gezeten en naar de bovennatuurlijk losbrekende heksenketel van het hindoeïsme op de heilige oever gekeken. Het bootje werd geroeid door een jongen, die ik vertelde dat ik een dag in het vliegtuig had gezeten om Calcutta te bereiken, en dat het met de trein weken geduurd zou hebben, en stel je voor hoe het was toen er nog geen treinen waren. Waarop hij zijn riemen liet rusten, mij bevreemd aankeek en zei: "No trains?'' Dit was het moment waarop ik het meest van India begreep, - nooit eerder of later heb ik zo'n volledig gemis aan historisch besef meegemaakt: hij wist niet, dat er ooit geen treinen waren geweest. Zoals het was, was het altijd geweest en zou het altijd blijven.

Nee, niet alleen niet de quantummechanica, ook de klassieke mechanica ligt niet in het oosterse erfgoed besloten. Als zij ergens besloten ligt, dan is het in het filosofisch-theologische erfgoed van diegenen, die de klassieke en de moderne natuurkunde inderdaad hebben opgesteld - en dat zijn wij, westerlingen. Tot dat 'westen' reken ik allicht ook de oriëntaalse religies, die de bronnen vormen van onze beschaving, zoals de Egyptische, de Hebreeuwse en de Babylonisch-Assyrische. Dat westen strekt zich dus even ver naar het oosten uit als het rijk van Alexander de Grote: tot de Indus.

In het uiterst globale overzicht, dat ik nu van een gecompliceerde ontwikkeling ga geven, zal ik in dubbel opzicht de omgekeerde procedure van de Capra's toepassen. Ik zal niet beginnen bij de moderne natuurkunde, om vervolgens voornamelijk formele pendanten in de westerse traditie aan te wijzen, maar ik zal beginnen met iets materieels uit de traditie, om tot slot bij de moderne natuurkunde uit te komen - zoals het ook inderdaad is gegaan.

WESTERSE WIJSHEID

Dat inhoudelijke gegeven is het licht. Misschien door een gemeenschappelijke oorsprong vervult het licht (de zon) een cruciale rol in alle religies van het Nabije Oosten; maar ik bepaal mij tot die godsdienst, die regelrecht naar ons leidt: de joodse, gevolgd door haar christelijke variant. In deze stroming wordt tegelijk het diepzinnigst met het licht gemanipuleerd. In het eerste van zijn vijf boeken, Genesis, schrijft Mozes dat Jahvehs eerste scheppingswoord "Daar zij licht!" luidde: "en daar werd licht". Hiervan houden wij nu vast, dat Mozes onderscheid maakt tussen zijn god en het licht: het licht is Jahvehs woord, het door Jahveh gesprokene. Wel wordt hij vaak vergeleken met het licht.

Onafhankelijk van deze theologische conceptie, ontwerpt Plato in Athene een verwante metafysische theorie, waarin de goddelijke Idee van het Goede met de zon wordt vergeleken. "De zon," schrijft hij in het zesde boek van De staat, "wordt door het Goede als diens evenbeeld gebaard, om in de zichtbare wereld met betrekking tot het gezicht en de geziene dingen te zijn, wat het Goede is in de wereld van het verstand ten opzichte van het verstand en de objecten van het verstand."

Deze en andere platonische opvattingen (vooral ook uit de Timaeus) worden driehonderdvijftig jaar later met de mozaïsche leer in verband gebracht door Philo Judaeus. Uit zijn poging, de joodse godsdienst te verzoenen met de Griekse filosofie, komt God te voorschijn als de 'geestelijke zon' - nu niet analoog of metaforisch op te vatten, maar als onto-theologische identiteit. Dit goddelijke licht is het ware, 'intelligibele' licht, oerbeeld van het zintuiglijke, dat een afgeleide er van is. Hiermee begint God dus samen te vallen met zijn scheppingswoord, dat er licht zij. In dat Woord, zegt Philo, wordt het goddelijke licht 'vlees', het Woord (logos) is 'Gods zoon'.

Philo leefde van 20 voor Chr. tot 40 na Chr. Dit betekent dus, opmerkelijk genoeg, dat precies in de periode waarin hij in Alexandrië werkte aan deze constructie, om de hoek Jezus van Nazareth werd gebaard, leefde en stierf aan het kruis. Daarmee namen de dingen een definitieve wending; maar dit drong nog niet door tot Plotinus, die in de derde eeuw schreef. Bij hem wordt de identificatie van de goddelijke Idee met het intelligibele licht volledig; deze entiteit heet bij hem het Ene. Bovendien wordt het nu zo, dat dit lichtende Ene niet alleen van het zintuiglijke licht de oorzaak is, maar het heeft door emanatie al het zijnde doen ontstaan, met als hoogtepunt de menselijke ziel. Zonder dat het Ene er door verdeeld wordt, is zijn oorspronkelijke licht in alles, zodat via het Ene alles met alles is verbonden. In de vijfde eeuw leidt dit bij Prochis tot de installatie van een 'correspondentiebeginsel': alles weerspiegelt alles.

Inmiddels had Johannes op Patmos zijn biografie van Jezus van Nazareth op schrift gesteld. Hier ziet men een overeenkomstige gang van zaken, maar nu gedemonstreerd aan de hand van een individu, en daardoor des te krachtiger. In den beginne was het Woord," schrijft hij, en het Woord was bij God, en het Woord was God." Het onderscheid dat Mozes had gemaakt tussen God en zijn scheppingswoord, is hier vervangen door een volledige identificatie, - met zelfs nog een suggestie, dat het Woord er eerder was dan God. God valt nu samen met het scheppingswoord, - en dat luidt: "Daar zij licht" (Yehe  Aur). Naar het beeld van dit intelligibeIe licht is de mens geschapen; maar het is dus dit lichtende 'Daar zij licht' zelf, dat volgens Johannes in de persoon van Jezus van Nazareth vlees is geworden en onder ons heeft gewoond. Het is het mechanisme dat Philo al had beschreven, maar nu letterlijk genomen en dramatisch gesitueerd in de sociale werkelijkheid. Dat Jezus van Nazareth de 'Daar zij licht' is, wordt vervolgens nog op een groot aantal plaatsen bevestigd, zoals wanneer Johannes hem laat zeggen: “Ik ben het licht der wereld". Ook kan in dit verband gedacht worden aan de mystieke ervaring van Saulus in Damaskus, waardoor hij Paulus werd, en waarbij Jezus hem verscheen als 'een licht, boven den glans der zon', zoals Lukas schrijft. Zijn verblinding herinnert aan die, welke een geketende ondervindt als hij uit Plato's grot naar buiten, in de wereld der Ideeën wordt gesleurd, zoals beschreven in het fameuze boek van De Staat.

Deze lichtmetafysica in al haar aspecten doordringt in de middeleeuwen een belangrijk deel van de filosofie en de theologie. Na het Hebreeuws en het Grieks wordt het gesprek voortgezet in het Latijn, waarin het zintuiglijke licht lumen naturale komt te heten en het bovenzinnelijke lumen divinum. Niet alleen Augustinus werkt de leer van het licht uit, ook neoplatoonse filosofen als pseudo-Dionysius Areopagita met zijn 'negatieve theologie', die zich op Prochis baseerde; verder Duns Scotus, Grosseteste, Roger Bacon, Bonaventura en natuurlijk Eckhart. Door dit alles heen klinken dan nog de stemmen van mystici, kabbalisten, alchemisten, hermetici en vooral de gnostici met hun mystieke religie, waarin het licht een centrale rol speelt. Begeeft men zich in dit alles, dan is het of men in een zinderend droomlandschap komt, vol grillige bomen, verwrongen stronken, schaduwen, paden, bruggen over beken, en waar alles vol vogels en insekten is, zoals in de sprookjesachtige Vlindervallei op Rhodos.

Op de grens van middeleeuwen en renaissance culmineert dit alles in de mystieke theo-filosofie van Cusanus, de opsteller van de coïncidentia oppositorum: het samenvallen van de tegendelen in God, het lumen divinum. In de tweede helft van de vijftiende eeuw komt het dan nog voor bij neoplatonici als Ficino, Pico della Mirandola en de fantastische Francesco Patrizi, met een laatste opflakkering bij Giordano Bruno. Als deze in het jaar 1600 in Rome sterft, markeren de vlammen van zijn brandstapel het einde van deze ontwikkeling.

Onderwijl bestond er nog een andere, veel rationalistischer theologie en filosofie, die niets moest hebben van een God-Jezus als lumen divinum, maar die het licht nog steeds uitsluitend overdrachtelijk wilde laten gelden. Deze stroming oriënteerde zich niet op Plato maar op Aristoteles, niet op Johannes maar op Paulus (ook al had deze het licht gezien): zij vertegenwoordigde het officiële standpunt van de Kerk, met Thomas Aquinas als belangrijkste woordvoerder. Het is deze scholastische richting, die de overwinning heeft behaald, - denkelijk verbonden met de contrareformatorische strijd tegen Luther, die niet afgeleid mocht worden door neoplatoonse kuren. En deze overwinning was de voorwaarde voor de opkomst van wetenschap en techniek.

Met de zege van de thomistisch-rationalistische theologie, gepaard met de reformatorische, stierf de johanneïsche 'Daar zij licht' voor de tweede keer, nu in de uitdovende vlammen van Bruno's brandstapel op de Campo dei Fiori. Met dit uitdoven van het lumen divinum bleef het lumen naturale verweesd achter als een natuurverschijnsel onder vele andere, zoals warmte of magnetisme. En nu kon Newton het nemen, en door zijn prisma leiden en in zeven stukken breken.

De enige stemmen, die zich in de komende eeuwen nog tegen Newton en zijn spectrum verhieven, waren, tegen de prijs van belachelijkheid, die van Goethe met zijn Zur Farbenlehre en die van Schopenhauer met zijn Über das Sehn und die Farben. Alleen in hen was nog iets levend gebleven van die inmiddels vergeten of verdrongen traditie.

WESTERSE WETENSCHAP

De wetenschappelijke lotgevallen van het lumen naturale gedurende de eerste tweehonderd jaar hoeven mij hier niet bezig te houden. Evenals de rest van de klassieke natuurkunde ontwikkelde de optica zich voorspoedig op de fundamenten, die door Newton waren gelegd en die in het werk van Kant hun filosofische uitdrukking hebben gekregen.

Maar dan, in 1896, gebeurt er iets verbijsterends. In dat jaar holt in Zürich een jongen van zestien achter een lichtstraal aan, springt er op en kijkt wat er gebeurt. Het intuïtieve besef, dat dit niet alleen praktisch maar ook theoretisch onmogelijk is, leidt negen jaar later tot de publikatie van de speciale relativiteitstheorie. In zijn opstel Autobiographisches (in deel VII van de serie Schilpp) noemt Einstein die onmogelijkheid een 'Paradoxon'. Sindsdien is er nog een groot aantal paradoxa bijgekomen - met in 1982 misschien het onverteerbaarste voor het gezonde verstand. Aan de hand van een paar punten zal ik nu kort demonstreren, dat in de moderne natuurkunde het zintuiglijke licht de eigenschappen van het vergeten bovenzinnelijke licht blijkt te bezitten: de stralende wederkomst van het lumen divinum als lumen naturale.

Acht jaar voor het prometheïsche gedachtenexperiment van de geniale puber ontdekten Michelson en Morley, dat de lichtsnelheid constant is, - dat wil zeggen: onafhankelijk er van of de lichtbron naar het meetinstrument toe beweegt of er van af. Dit was natuurlijk een volstrekt paradoxale bevinding, die het licht essentieel onderscheidde van alle andere natuurverschijnselen. In een soort onaantastbare majesteit bleek het natuurlijke licht plotseling dichter bij het intelligibele van Plotinus te staan dan bij dat van Newton. Einstein probeerde deze gruwel voor het verstand niet naar de periferie te schuiven of ad hoc weg te verklaren, maar hij maakte er een postulaat van en installeerde het in het centrum van zijn theorie, dus van de wereld, - waarmee het licht na ruim twee eeuwen weer de laats innam, die het had in de traditie die ik zojuist heb aangewezen. Een uitvloeisel van deze manoeuvre was bovendien, dat de eindige lichtsnelheid c nu de status van oneindig grote snelheid kreeg. Niets kan even snel, laat staan sneller dan het licht bewegen, aangezien daarvoor - als gevolg van de equivalentie van energie en massa, uitgedrukt door de vorm mc² - oneindige kinetische energie nodig zou zijn. Daarmee krijgt het licht een allure, die nu als 'johanneïsch' gekenschetst kan worden.

Ook verder had de installatie van het licht als centrale instantie zulke onafzienbare gevolgen, dat de hele moderne natuurkunde met recht 'lichtfysica' kan worden genoemd. Newtons absolute ruimte en absolute tijd gingen ten onder in een vierdimensionaal continuüm, waarin een heel ander begrip gelijktijdigheid heerst. Naarmate men sneller beweegt, verloopt de tijd langzamer; het licht zelf is tijdloos (zoals de zestienjarige Einstein aanvoelde). Wanneer iemand ten hemel vaart met een snelheid, die die van het licht benadert, zullen bij zijn wederkomst op aarde duizenden jaren verstreken zijn. Hier staat het gezonde verstand dus stil. Het gezonde verstand is alleen gezond in Newtons alledaagse wereld, althans zolang het goed gaat; daarbuiten is het even ziek als het verstand van Einstein of Bohr dat is in de wereld van alledag - en dit laatste ziektebeeld vertoont diagnostisch een verbluffende overeenkomst met dat van Johannes, Plotinus of Cusanus.

Heeft men hen eenmaal in het oog, dan kan het niemand ontgaan dat hun goddelijke lichtwerelden meer op die van de moderne natuurkunde lijken dan op die van de klassieke. Neem de Big Bang, - en merk meteen op dat de onomatopee 'bang' misleidend is, want bij absentie van lucht was het geen geluid; het was het opflitsen van licht, een 'Fierce Flash', niet op een bepaald tijdstip in de ruimte, maar als tijd en ruimte. Hier ontstond alles uit niets. Aangezien dit onmogelijk is, gebeurde het onmogelijke. Deze gebeurtenis gaat veel verder dan de mozaïsche schepping van de wereld uit het niets door God; dat is weliswaar onbegrijpelijk maar niet onmogelijk, want God is almachtig. Het is ook geen echt ontstaan uit het niets, want God was er al. Maar vervangt men dit orthodoxe gezichtspunt door dat van Johannes, dan komt men veel dichterbij. Als God identiek is met zijn scheppingswoord, dan is dit lichtende 'Daar zij licht' tegelijk ook een goddelijke zelfschepping - en van precies deze onmogelijke aard is het ontstaan van de wereld in de kosmologische branche van de moderne natuurkunde.

Vooral ook ten overstaan van de quantumfysica - die samen met de relativiteitstheorie het niet helemaal gelukkige huwelijk van de moderne natuurkunde vormt moet het sacrificium intellectus sani gebracht worden. Hier wordt het gezonde verstand bij voorbeeld belaagd door de dubbelnatuur van het licht: afhankelijk van het experiment bestaat het uit deeltjes of uit golven. Ook de 'Daar zij licht' werd door de theologen geacht 100% mens en 100% god te zijn, en zelf veranderde deze coïncidentia oppositorum water in wijn en zijn lichaam in brood. Toen iemand eens een nieuwe fysische theorie had voorgedragen, zei Niels Bohr: "Uw theorie is krankzinnig, maar niet krankzinnig genoeg om waar te zijn." Wat is dit anders, dan een variant op Tertullianus' credo quia absurdum: "Gods zoon is gestorven: dat is volstrekt geloofwaardig, want het is ongerijmd; en na te zijn begraven is hij opgestaan: dat is zeker, want het is onmogelijk." Zo kan ik, tot ieders bevreemding, nog enige tijd doorgaan, - van Schrödingers Kat (wat was de toestand van het Licht der Wereld tussen graflegging en opstanding?) tot de helse Zwarte Gaten (waarin het licht luciferisch gevangen zit); maar ik geloof dat ook deze vluchtige verwijzingen voldoende zijn voor de aannemelijkheid van mijn stelling, dat het tijdloze lumen naturale de wonderbaarlijke eigenschappen van het aloude lumen divinum bezit. Alleen één aspect moet ik nog aanstippen, want dat leidt tot de crux van de hele affaire.

Dat het zinloos is, te vragen wat een foton eigenlijk is, maakt deel uit van de Kopenhagen-interpretatie van de quantummechanica, - zo genoemd naar de woonplaats van Bohr. Op subatomair niveau bestaat iets pas als het wordt waargenomen. Evenals voor fotonen, die geen rustmassa hebben, geldt het golf-deeltje 'complementariteit' ook voor materie. Van een elektron kan niet zowel de snelheid precies gemeten worden als de plaats. Bepaalt men de plaats, dan tast men door die waarneming zijn  beweging aan en daarmee wordt het elektron een deeltje; meet men de beweging, dan tast men zijn positie aan en daarmee wordt het een golf. Al gehoorzaamt de mate van deze onzekerheden nauwkeurig aan de relatie van Heisenberg, toch ging dit wegzakken van de objectieve wereld in een indeterministische, subjectieve mist zelfs Einstein te ver. Met zijn medewerkers Podolsky en Rosen ontwierp hij in 1935 een van zijn geraffineerde gedachtenexperimenten, waarin hij van jongsaf zo bedreven was.

Stel, een deeltje splijt in tweeën en de helften A en B vliegen met gelijke snelheid in tegenovergestelde richtingen. Als zij ver uit elkaar zijn, meet men de snelheid van A en kent daarmee - ingevolge de wet van actie en reactie ook de snelheid van B. Vervolgens bepaalt men de plaats van A, waarmee men dus zijn beweging vernietigt; maar omdat men nu automatisch ook de plaats van B weet, kent men van B dus zowel de snelheid als zijn plaats op een bepaald moment. Omdat dit volgens de quantummechanica, onmogelijk is, is daarmee de onvolledigheid van die theorie aangetoond en de objectiviteit in de wereld teruggebracht. Het absurde alternatief zou uitsluitend zijn, dat B ver weg (een miljoen lichtjaar bij voorbeeld) op hetzelfde moment telepathisch 'weet' wat er met A gebeurt en daardoor geaffecteerd zou blijken bij waarneming. Dit zou betekenen, dat er een instantaan signaal van A naar B is gegaan, met oneindige snelheid, terwijl een grotere snelheid dan die van het licht onmogelijk is.

Na bijna een halve eeuw discussiëren, theoretiseren en experimenteren, werd het cruciale experiment in de herfst van 1982 in Parijs uitgevoerd door Aspect, Dalibard en Roger, waarbij zij niet gebruik maakten van elementaire deeltjes maar van fotonenparen en polarisators. Geheel in de geest van Bohr bleek het absurde alternatief het juiste. Dit betekende de definitieve ondergang van een objectief bestaande wereld, - en degenen, die nog niet aan Einstein toe zijn, zullen zich moeten haasten. Terecht is het experiment al vergeleken met dat van Michelson en Morley, dat ook een nieuwe epoche inluidde. Omdat supraluminale, telepathieachtige snelheden relativistisch noch filosofisch kunnen worden toegestaan, ontstaat nu de mogelijkheid van een hologramachtig universum, waarin elk deel de informatie van het geheel bevat. Nieuwe dimensies loeren om de hoek, zelfs weer de goede oude aether. Maar hoe het ook uitpakt in een 'postmoderne' natuurkunde, de intuïtie van dit alles is al te vinden in Plotinus' intelligibele, lichtende Ene, dat alles met alles verbindt, - uitgedrukt door Prochis' 'correspondentiebeginsel', - en dat ik bij een andere gelegenheid al eens in verband heb gebracht met de Big Bang.

Tegelijk vestigt deze sensationele triomf van de quantumtheorie de aandacht weer op de essentiële rol van de waarnemingsapparatuur, zoals bij voorbeeld die van CERN bij Genève. Al Bohr stelde vast, dat het waargenomene en de apparatuur één ondeelbaar systeem vormen; Heisenberg voegde daar de waarnemer bij, - Plotinus' ‘menselijke ziel'. John Wheeler wil alleen nog over 'deelnemer' spreken en trekt daar een ongehoorde consequentie uit. De Big Bang was een subatomair proces, - maar als op subatomair niveau iets pas bestaat als het wordt waargenomen, dan zijn wij niet alleen een produkt van de Big Bang, maar dan is de Big Bang - 'anthropisch' - ook een produkt van ons, aangezien wij de zwakke straling die er de echo van is waarnemen met onze apparatuur.

Tenslotte was het ook de mens Mozes, die de woorden 'Daar zij licht!' schreef.

'WAT IS WAARHEID'

Via dit ultieme paradoxon ben ik terug bij de Capra's en de Aziatische mystiek. Ongetwijfeld al te schetsmatig heb ik naar een halfobscure westerse traditie verwezen, waarin al die gestes en intuïties, die zij in het oosten hebben opgespoord, eveneens te vinden zijn - maar dan ook inhoudelijk. Met het bovenzinnelijke lumen divinum bleek eeuwenlang in feite het zintuiglijke lumen naturale beschreven. De oude lichtmetafysica bleek de aard van de moderne lichtfysica te bezitten: die speculaties waren, zou men kunnen zeggen, eenvoudig letterlijk waar - ongeveer zoals Schliemann aan de hand van de Ilias Troje vond. Dit betekent meteen, dat wij niet meer hoeven te 'geloven' aan al die oude noties, want wij bezitten ze nu op het niveau van de wetenschap, - een wetenschap, die sprekend lijkt op dat oude sprookjesbos. De onbarmhartig-ambtelijk verkavelde akkers tussen Bruno's brandstapel en Einsteins sprong op de rug van het licht, blijkt een noodzakelijke maar voorbijgaande episode te zijn geweest.

Wat men de Capra's kan verwijten, is dat zij op een halfzachte manier een aantal wetenschappelijke concepties in diskrediet hebben gebracht, zoals het 'holisme'. Dit is afkomstig van David Bohm, die een wezenlijke rol heeft gespeeld bij het theoretisch mogelijk maken van het Aspect-experiment. Die corruptie was helemaal niet nodig geweest, want onze eigen wijsheid is meer ter zake dan de Indische. Dat spreekt ook eigenlijk vanzelf, want niet daar maar hier zijn natuurwetenschap en techniek ontstaan. En waarom dat zo is, komt precies door dat cruciale gegeven, dat de Capra's stelselmatig verwaarlozen bij hun oosterse vergelijkingen, aangezien zij het niet aantreffen bij hun ontstegen mediterende mystici: de apparatuur, het technische element, dat ontbreekt in het oosten. Ook de huidige Japanse technologie is immers volledig van westerse oorsprong. De oosterse wijze is naakt, maar de westerse natuurkundige is volledig gebonden en vastgespijkerd aan zijn instrumentarium. Dat is het wezenlijke verschil. De vraag, waar dat instrumentarium dan in de westerse theologie en filosofie is te vinden heb ik in De compositie van de wereld beantwoord met een verwijzing naar het kruis. Goden uit polytheïstische pantheons plegen niet zelden symbolische attributen te bezitten, zoals Orpheus zijn lier; maar van de monotheïstische goden - Jahveh, de zoroastrische Ahoera Mazda, Christus, Allah - is de God-Jezus de enige wiens heilsgeschiedenis wordt bepaald door een instrument: het kruis. Dat heeft de geestelijke instelling van het westen bepaald. Het kruishout is niet zo zeer een religieuze gedachte, maar voornamelijk een ding. De door Pontius Pilatus bevolen kruisiging - de gebruikelijke Romeinse straf voor zware misdadigers - was geen verheven meditatie of contemplatie, maar actie, uitgevoerd door Romeinse soldaten van de genie, gepaard gaande met geweld en geschreeuw, getimmer en gehijs. Deze theo-technische aangelegenheid is het, die de westerse geest heeft afgestemd op techniek en wetenschap. De centrale rol van de apparatuur in de quantumtheorie komt uitsluitend overeen met die van het kruis in het christendom.

Daarom is de graeco-joods-christelijke traditie in dit opzicht superieur aan alle andere - ook wat gevaarlijkheid betreft. En dat aan het eind van die lange wereldweg - begonnen met Mozes' 'Daar zij licht', en via kruis en prisma naar Einstein leidend - de eschatologische lichtflits boven Japan is komen te staan (jammerlijk genoeg in het oosten), 'een licht boven den glans der zon', is geheel in de geest van de nog steeds onderschatte auteur van de Apocalypse.

HARRY MULISCH 


Das Schönste, was wir
erleben können, ist das
Geheimnisvolle.
Es ist das Grundgefühl,
das an der Wiege der
wahren Kunst und
Wissenschaft steht.

EINSTEIN

Inloggen

 
gebruikersnaam:  
 
wachtwoord:  
 
 
 
   
Wachtwoord vergeten?  

Klik hier om uw gegevens te wijzigen

 

Stichting Kleurenvisie
Klarendalseweg 31
6822 GA Arnhem